Essay: Politiek Dandyisme en de Nieuwe Politiek

Posted on February 12, 2007

5


a20042026176334.jpg“Ik heb er zin an. At your service,” kraaide de flamboyante homoseksueel Pim Fortuyn bij zijn verkiezing tot lijsttrekker van Leefbaar Nederland terwijl hij salueerde. Dat was op 25 november 2001, in de maanden die volgden gooide hij de Haagse politiek overhoop. De miljonair en voormalig sociologie professor, altijd strak in krijtpak gekleed en met glanzend kaalgeschoren hoofd, had zijn eigen manier van politiek bedrijven. Politieke correctheid was hem vreemd, hij was uitermate mediageniek en bracht de glamour in het Nederlandse politieke spectrum. Hij was populair onder een groot deel van de Nederlandse bevolking. Professor Pim was Nederlands’ politieke dandy.


Wat is precies een politieke dandy en hoe is het mogelijk dat een politieke dandy als Pim Fortuyn zulke grote successen kan boeken in de hedendaagse politiek? Naar de antwoorden op deze vragen ga ik in dit essay op zoek. Een herziening van de klassieke rolverdeling tussen politiek, media en de bevolking is hierbij van belang.

Bij het definiëren van de politieke dandy is een algemene definitie van dandyisme onvermijdelijk. André Hielkema beschrijft in de introductie van zijn boek, De Dandy of de overschrijding van het alledaagse. Facetten van het dandyisme, het dandyisme als volgt:

“(..) een complex van eigenschappen en tendensen, en inderdaad een –isme, dat zijn samenhang vindt in het voorbeeld van een superieure dandy, maar steeds nieuwe gedaanten aanneemt en ook van plaats verandert.”

Het dandyisme wordt vaak gezien als een typisch negentiende-eeuws verschijnsel. Men gaat er dan vanuit dat het dandyisme puur een vorm van verzet is tegen opkomende moderniseringsprocessen en ophoudt te bestaan wanneer industrialisering, democratisering en commercialisering een feit zijn aan het begin van de twintigste eeuw. Dit is te kortzichtig. Zoals al blijkt uit de definitie van Halkema is het dandyisme erg flexibel. In Halkema’s boek wordt er vanuit gegaan dat Beau Brummell (1778-1840) de allereerste dandy is. Ooit ontstaan naar voorbeeld van dit proto-type is de dandy flexibel, eigengereid en vindt hij altijd wel iets om tegen aan te schoppen. Het dandyisme evolueert continu omdat dandy’s het steeds weer aanpassen naar hun eigen inzichten en de omstandigheden waarin ze leven. Naast het prototype dat neergezet is door Brummell is er ook de dandy zoals die wordt beschreven in negentiende eeuwse literatuur, in de Engelse fashionable novels in de periode 1825 tot 1835 en later in de cultuurkritiek van Barbey d’Aurevilly, Baudelair en anderen. Deze dandy’s waren vaak cultuurcritici en bovenal zeer ijdel en zich daar bewust van. Velen werden, in navolging van Brummell, op hun beurt weer prototypes.

De dandy is een man, maar dan een onmannelijke man. Net zoals de femme fatale een onvrouwelijke vrouw is. Eerder genoemde Barbey d’Aurevilly omschrijft zijn eigen dandy-zijn als “toute une maniere d’etre”. Deze manier van leven wordt gekenmerkt door een bovenmatige ijdelheid, een zucht naar klasse en een grote zorg voor kleding en uiterlijk vertoon. Thomas Carlyle, ook een negentiende eeuwse dandy, omschrijft de dandy als “a man whose trade, office and existence consists in the wearing of clothes.”

Maar het dandyisme gaat verder dan slechts ijdelheid. Een essentieel aspect is de drang naar verzet en protest, het aanstoot geven per definitie, dat zich in de negentiende eeuw liet vertalen in de uiting van hevige cultuurkritiek. Het dandyisme is een manier om kritiek uit te oefenen op het verval van stijl, smaak en gevoeligheid.

In de twintigste eeuw verandert het dandyisme aanzienlijk. Er vindt een institutionalisering plaats. Deze institutionalisering betreft vooral het domein van de populaire cultuur. De nieuwe dandy’s acteren in de film-, popmuziek-, fotografie- en modewereld. Een andere belangrijke verandering in de twintigste eeuw is dat het dandyisme zich ontdoet van haar elitair-aristocratisch karakter. De basis daarvoor ligt in het fin-de-siecle waar het eerste burgerlijk dandyisme ontstaat. In de jaren 1920, een tussenfase in de ontwikkeling van het dandyisme, is Cecil Beaton hier een voorloper van. Er bestaat dan nog een sterk verband tussen sociale-, culturele- en economische achtergrond en het dandy-zijn. Omringd door dandy’s uit rijke milieus, die het zich kunnen veroorloven tijdens hun studie vooral te feesten en zich met uiterlijk vertoon bezig te houden, komt Beaton uit de middenstand. Hij moet meer moeite doen maar weet zich staande te houden en zal later in zijn leven nog van grote invloed zijn op de popart van (D)Andy Warhol. Onder invloed van Beaton werpen dandy’s hun elitaire mantel af, deze wordt vervangen door een populair element.

Een ander belangrijk element op weg naar een definitie van politiek dandyisme is het opruiende karakter van dandy’s. De dandy is een zeer geëngageerd burger, maakt zich zorgen om de omgeving waarin hij zich bevindt en houdt andere burgers een spiegel voor. Deze spiegel is voor hem van groot belang. Over Andy Warhol zegt Hielkema bijvoorbeeld dat deze zich beweegt op de grenzen van tegengestelde levenstijlen. Hij is een boerenzoon uit Tsjechië die de toon zet in het hippe en kunstzinnige New York. De dandy “leeft bij de gratie van de spiegel maar is zelf de spiegel voor allen aan gene zijde van de grens. Altijd de paradox in elk paradigma.” De dandy valt dus overal buiten, is de outsider, wordt bekeken door, maar is anders dan de mensen, het publiek, om hem heen.

Deze betrokkenheid bij de maatschappij en de neiging tot opruien komt in eerste instantie voort uit ijdelheid maar is daardoor niet minder belangrijk. Mattias Duyves zegt hierover in Allemansvriend in niemandsland: de dandy:

“Dandy’s zijn hoegenaamd geen revolutionairen en al evenmin reformisten, maar blijken keer op keer fantastische deformisten of transformisten van de hen omringende realiteiten.”

Dandy’s hebben de nodige invloed op hun omgeving. Het zijn uitermate gedreven mannen die geen boodschap hebben aan zogenaamde heilige huisjes. Ze verstoren heersende taboes door met het vanzelfsprekende de draak te steken en verbreken aan de lopende band collectieve regels. De alledaagse gang van zaken is hen niet spannend genoeg en door hier tegenaan te schoppen ontlokt de dandy discussies over nieuw te verwerven vrijheden. De dandy acteert op een podium naar eigen welbehagen. Zoals Cecil Beaton de wereld van de fotografie opschudde, zo deed Andy Warhol dat in de kunstwereld. Net zo makkelijk stort de dandy zich op politiek. Zelfs in de negentiende eeuw was dat al zo met Benjamin Disraeli, de Victoriaanse dandy die minister-president van Engeland werd. Begin deze eeuw kregen we Fortuyn: een uitermate extravagante persoonlijkheid die als eenling politiek bedreef vanaf de achterbank van zijn Daimler met chauffeur, waarin hij zich rond liet rijden. Of vanuit zijn stadsvilla in Rotterdam, Pallazzo di Pietro, met butler Herman en zijn twee hondjes Kenneth en Carla om hem gezelschap te houden.

Fortuyn wordt regelmatig vergeleken met Douwes Dekker ofwel Multatuli. Multatuli had ook gevoel voor theater, een messianistisch narcisme en dezelfde agressieve alles-of-niets mentaliteit in een vorm van populistische antipolitiek. Net als Fortuyn had ook Multatuli zowel reactionaire als progressieve kanten. In zijn boek De Geest van Pim haalt Pels een column van Jacques van Doorn aan waarin hij Fortuyn vergelijkt met de Duitse arbeidersvoorman Ferdinand Lassalle, ook een politieke dandy. Overeenkomstige karaktereigenschappen die Van Doorn noemt zijn dat beiden briljant en energiek, maar ook volkomen egocentrisch en bedacht op uiterlijk vertoon zijn.

Hoe overleeft een politieke dandy als Fortuyn in de politiek? Een deel van het antwoord ligt in de afstand die de verschijning van de politieke dandy creëert ten opzichte van het publiek. De kloof tussen burgers en politici is in dit geval een belangrijke voorwaarde om informatie uit te wisselen. De afstand stelt het publiek in staat om de doelen en perspectieven die politici hebben te benoemen en herkennen. Het stelt ze in staat een beter oordeel te vellen. Politieke betrokkenheid wordt in eerste instantie niet gecreëerd door identificatie maar door oppositie. De politieke dandy voldoet volledig aan deze voorwaarde. Hij is een buitenstaander, zijn levensstijl staat ver af van die van het publiek.

De mediatisering van de politiek werkt ook in het voordeel van de politieke dandy. Zijn ijdelheid en drang om in het middelpunt van de belangstelling te staan geeft hem een voorsprong op politici van de oude stempel. Dat was ook te zien in de debatten die Pim Fortuyn had met zijn collega’s in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2002. Fortuyn was theatraal, kleurrijk, hij kon als geen ander in soundbytes praten. Hij had een bloedhekel aan politieke correctheid en wist zo, zonder nuances, precies de gevoelens van veel Nederlanders onder woorden te brengen. Fortuyn’s politieke zelf was het ideale televisiekarakter. Politiek werd zo ineens ‘leuk om naar te kijken’, met als resultaat dat burgers geïnteresseerd en uiteindelijk meer politiek betrokken en geïnformeerd raakten.

Het aantrekkelijk en behapbaar maken van politiek typeert de zogenaamde nieuwe politiek. De moderne democratie vraagt om een bepaalde performance van politici om burgers te bereiken en de eisen hieraan worden gesteld door de media. Politici krijgen te maken met politieke stijl. In zijn hoofdstuk Mediated Persona and Political Culture in het boek Media and the Restyling of Politics beschrijft John Corner drie onderdelen van political personhood door de invloed van media. Het eerste onderdeel is dat de politicus een politieke zelf bekend maakt. Hij of zij moet voortaan meteen herkend worden door het publiek. Het tweede facet is dat wat een politicus zegt, in de media verweven raakt met hoe het gezegd wordt. Hierdoor raken politiek en persoonlijkheid steeds meer verstrengeld. Het laatste onderdeel van de politieke zelf is de non-verbale presentatie. Corner spreekt zelfs van een choreografie voor politici in actie. Deze choreografie is voor elke gelegenheid weer anders. Een politicus presenteert zich op een internationale topconferentie anders dan wanneer hij een fabriek bezoekt. De politicus maakt een bewuste keuze voor een bepaalde stijl, iets waar politici van de oude stempel altijd wars van waren.

Een politieke dandy als Fortuyn heeft geen moeite met deze keuze. Hij is dag en nacht bezig met het vestigen van een sterke politieke identiteit door middel van een doordachte politieke stijl. Dandy’s zijn markante figuren, altijd herkenbaar en zeer zorgvuldig in hun presentatie en voorkomen. Dick Pels spreekt in De Geest van Pim over een doorbraak van Fortuyn in de nieuwe mediamieke persoonlijkheidspolitiek die in Nederland de traditionele partijendemocratie steeds verder achter zich laat.

Politici willen met een zo herkenbaar mogelijke politieke stijl naar buiten treden om zo een goede reputatie op te bouwen en het vertrouwen van de kiezer winnen. Media-experts worden daarom bij politiek betrokken. Doordat politici continu in de spotlight staan kunnen ze zich geen misstappen veroorloven. Spindoctors en communicatie-experts zetten daarom strategieën uit voor politici, om hun optredens in de media en dus hun reputatie bij de kiezer te optimaliseren. Zij bepalen de campagne van politici en letten daarbij steeds meer op wat goed overkomt op het publiek: een redenering op gevoel dus in plaats van ratio. Het ideaalbeeld van een politicus is zo beïnvloed door de populaire cultuur. Postmoderne politiek is gericht op personen en betreft behalve de publieke sfeer ook de privésfeer. Deze vervaging tussen sferen werd in Nederland voor het eerst zichtbaar dankzij Fortuyn. Pels zegt hierover:

“Door privé-leven en openbaar leven naadloos in elkaar te laten overlopen, en door beide levens op te vatten als een en hetzelfde kunstwerk, slaagde een politieke dandy als Fortuyn erin om een mediamiek sterrendom te belichamen dat in die vorm in het nuchtere Nederland nog niet eerder was vertoond.”

De afhankelijkheid van stijl en het betrekken van de privésfeer in het politieke optreden zijn precies de punten waarop de nieuwe politiek wringt met de oude. Traditioneel gezien werd het imago van een politicus bepaald door de partij waarvan hij lid was en het politieke beleid dat deze partij voerde. In de nieuwe politiek met aandacht voor personen spelen subjectieve en emotionele voorkeuren een rol in de politieke keuze. Traditionele politiek vindt haar wortels in een modernistische traditie en hecht grote waarde aan rationaliteit en objectiviteit. Daarin is geen plaats voor verheerlijking van individuen of aandacht voor privézaken, conflicten en andere zaken die van de pure politieke boodschap afleiden. Dit is de klassieke benadering, aanhangers hiervan zijn uitermate sceptisch over de nieuwe politiek.

Wat in de klassieke benadering echter over het hoofd wordt gezien is dat een nieuwe benadering noodzakelijk is om burgers te bereiken. Alles staat in het teken van politiek bij de mensen te brengen. Subjectiviteit en emotie vergroten juist de toegankelijkheid van politiek. Als politiek aantrekkelijker is en de aandacht heeft van de kiezer, komt de boodschap ook eerder aan. Het toelaten van sentiment en andere subjectieve waarden in de relatie tussen politiek en het publiek betekent niet meteen een pleidooi voor irrationaliteit. Het is eerder een herdefinitie van het domein van politieke rationaliteit. Dick Pels haalt in zijn hoofdstuk Ankersmit en Samuels aan, die afstand doen van politiek objectivisme en intellectualisme. Ankersmit en Samuels zien de nieuwe politiek als een verder gedemocratiseerde democratie. De subjectieve waarden hierin maken nieuwe vormen van politieke participatie mogelijk. Dit wil niet zeggen dat Ankersmit en Samuels een puur esthetische vorm van politiek voor ogen hebben. Het punt is juist dat men af wil van het dogmatische rationele denken. Democratie heeft niet slechts wortels in de Romantiek of in de Verlichting, maar in zowel de Romantiek als de Verlichting. Dit evenwicht tussen ratio en sentiment zorgt ook voor een balans tussen onverschilligheid en betrokkenheid bij de burger, tussen politieke afstand en contact. Het biedt politici de mogelijkheid zichzelf te profileren, te laten zien wat ze waard zijn. De constante media-aandacht maakt het hen onmogelijk zich te verschuilen. Het resultaat is dat de afstand tussen kiezer en vertegenwoordiger in tact blijft maar dat er meer transparantie in het politieke spel ontstaat.

Toch blijft het argument van sceptici staan dat in de nieuwe politiek, burgers misleid worden. Ze zouden om de verkeerde redenen betrokken raken bij politiek en hun keuzes niet baseren op de inhoud. Samuels wijst in reactie hierop op de emotional political intelligence die gewone burgers zouden hebben. Door het hele mediacircus rond politici krijgen kiezers een hoop informatie voor de kiezen die niet direct met de politieke inhoud te maken heeft. Deze informatie is niet goed beargumenteerd of geanalyseerd maar heeft volgens Samuels toch enige twijfelachtige waarde. Het geeft politici een gezicht, het publiek krijgt de mens achter de politicus te zien. Op basis van deze gegevens vormen burgers een mening over de autenticiteit en geloofwaardigheid van de politicus. Samuels gelooft dat het publiek hiertoe in staat is maar over de waarde ervan valt te twisten.

Politiek is veranderd. De traditionele partijendemocratie heeft zich ontwikkeld naar een individualistische en hedonistische massacultuur die zich vooral via elektronische media uit. Dit leidt tot een persoonlijkheidspolitiek die meer van politici vraagt dan voorheen: namelijk een herkenbare politieke identiteit die tot uiting komt in de publieke sfeer waarin de media de dienst uitmaken. Deze nieuwe politiek is de politieke dandy op het lijf geschreven. Deze individualisten snakken naar media-aandacht en persoonlijke roem. Ze zien zichzelf als volksman maar creëren tegelijkertijd een bepaalde afstand naar het publiek. Dandy’s weten als geen ander een duidelijke politieke identiteit neer te zetten en zo het publiek te bereiken. Denk aan de saluerende Pim Fortuyn. Dit betekent echter niet dat politieke dandy’s goede politici zijn. In verkiezingscampagnes vallen zij op, stelen ze de show maar of ze een land kunnen besturen, beleid kunnen maken en met geduld uitvoeren is een tweede. Dandy’s zijn daarvoor te grillig van karakter, te onrustig en te veel op zoek naar sensatie. In het geval van Fortuyn zie je die tweestrijdigheid ook: aan de ene kant stevende hij af op een grote overwinning en kwam hij wellicht in aanmerking voor een premierschap. Aan de andere kant valt ernstig te betwijfelen of hij een goede minister-president zou zijn geweest.

Literatuurlijst
André Hielkema, De Dandy of de overschrijding van het alledaagse. Facetten van het dandyisme. Amsterdam 1989.
Hieruit:
Introductie door André Hielkema
Hoofdstuk 10: Ton Steijger, Dandyisme in het interbellum
Hoofdstuk 11: Mattias Duyves, Allemansvriend in niemandsland: de dandy.

John Corner en Dick Pels, Media and the Restyling of Politics. Consumerism, Celebrity and Cynism. 2003.
Hieruit:
Hoofdstuk 3: Dick Pels, Aesthetic Representation and Political Style: Re-balancing Identity and Difference in Media Democracy.
Hoofdstuk 4: John Corner, Mediated Persona and Political Culture.
Hoofdstuk 6: Liesbeth van Zoonen, ‘After Dallas and Dynasty we have…Democracy’: Articulating Soap, Politics and Gender.

Dick Pels, De Geest van Pim. Het gedachtengoed van een politieke dandy. Amsterdam 2003.

Advertisements