Posted on May 8, 2008

1


‘Eén macciato, alsjeblieft.’ Deze typisch Ethiopische koffie verkeerd moet ik een keer proberen.

Zeker nu ik in restaurant Castelli aan de Piazza in het centrum van Addis Abeba zit. Zij worden geacht de lekkerste te hebben.

Macciato? Piazza? Dat klinkt allemaal niet erg Ethiopisch, en ook al niet Afrikaans.

‘Chow,’ zegt de barman nadat ik mijn bestelling, wel degelijk in Ethiopische Birr, heb afgerekend en het restaurant verlaat. Zijn groet is een verbastering van het Italiaanse ciao. Hoewel Ethiopië geen koloniaal verleden kent, zijn de Italiaanse invloeden legio.

De infrastructuur bijvoorbeeld, veel verharde wegen en bruggen zijn van Italiaanse hand. En voor boodschappen ga je naar Merkato (Italiaans voor markt), officieus de grootste markt van Afrika en een mierennest waar werkelijk alles verkrijgbaar is: van televisies tot ezels, maar ook dagelijkse boodschappen, en dat alles voor weinig.

Na het gekrioel van Merkato, waar je als farenji (blanke buitenlander) geen moment rust kent, is de Piazza een prettige verademing. De vrolijke huisjes met vervallen houten luiken en roze en gele pleistermuren huisvesten meubelzaken, kledingwinkels en pizzeria’s. Bovenaan de berg, vanwaar de straat naar beneden slingert, pronkt een imposant fascistisch gebouw dat onderdak biedt aan de Bank of Abyssinia – Abyssinia is de bijbelse benaming voor Ethiopië – en restaurant Castelli. Piazza is een van de vele overblijfsels van de Italiaanse bezetting van Ethiopië, van 1936 tot 1941, door de fascistische dictator Benito Mussolini.

‘Trots is het enige krediet op onze bankrekening,’ zo luidt een pijnlijke Ethiopische volkswijsheid. Een groot deel van die trots wordt ontleend aan het verjagen van de Italiaanse bezetters. Speren en schilden versus mosterdgas, de schoolboeken staan er vol mee. Met het Ethiopië van de toenmalige Keizer Haile Selassi – zijn echte naam was Rasta Fari en hij wordt tegenwoordig nog steeds aanbeden door rasta’s en reggaefans – viel niet te spotten!

Maar er is meer. Een eigen taal met eigen schrift, een eigen kalender, een eigen klok, en vooral, geen verleden van blanke onderdrukking maken Ethiopië uniek op het Afrikaanse continent. Ethiopiërs zien zichzelf dan ook niet als Afrikaans. Ook is hun huidskleur niet zwart. Ze zijn Abesha, Ethiopisch met een tintje, verder niets. De vader van mijn huisgenoot Tenagne, een koffiehandelaar uit het Noorden, verbood zijn dochters zelfs met een zwarte Afrikaan te trouwen.

Het groen, geel en rood van de Ethiopische vlag versiert de straten van Addis. Lampjes in de vrolijke kleurencombinatie slingeren van lantaarn tot lantaarn. Met het nationale bewustzijn van jongeren zit het ook wel goed. Steeds vaker mixen ze traditionele kleding met moderne, vaak westerse, mode. Hetzelfde geldt voor dans en muziek: Amhaarse teksten over hiphopbeats, breakdance vermengt zich met de schokkerige traditionele nek- en schouderdans.

Farenji, farenji!’ Een groep jongeren heeft er zichtbaar plezier in me luidruchtig te herinneren aan mijn buitenlandse voorkomen. Een van hen draagt een shirt met daarop het portret van Keizer Haile Selassi. ‘Abesha, abesha!’ reageer ik met al evenveel lawaai. Verbaasde blikken gaan rond. Dan verschijnt een glimlach en gaan de duimen omhoog. Zo stel je trotse Ethiopiërs tevreden.

Foto door Daphne Kuilman.

Advertisements