Gelukscadeau

Posted on March 4, 2010

0


“Meneer,” roept Cheick Sadibou Diarra terwijl hij op me afrent. Met een hand tilt hij de punt van zijn lange gewaad op. Met de ander zwaait hij. Ik loop over de Avenu Kennedi in Nouakchott, de stoffige hoofdstad van Mauritanië. De brede weg met woestijnzand als trottoir is vernoemd naar de vermoorde Amerikaanse president John F. Kennedy, maar wordt verkeerd gespeld op het straatnaambordje. Zal wel gedoneerd zijn door Chinezen, denk ik. Dat zijn slechte spellers.

“Meneer. U moet met me meekomen,” zegt Sadibou buiten adem. “Ik wil u een cadeau geven.” Ik ben verrast. Het is voor het eerst deze reis dat me een cadeau wordt aangeboden. Tot nu toe was “donné-moi un cadeau” (geef me een cadeau) een van de meest gehoorde zinnen. En dan niet uitsluitend uitgesproken door arme straatkinderen met kapotte kleren. Nee, zelfs agenten vragen schaamteloos om een presentje.

Enigszins wantrouwend, bedank ik en loop door. “U begrijpt het niet,” zegt hij. “Ik móet u een cadeau geven.”Nu word ik toch nieuwsgierig. Sadibou vertelt dat hij onlangs vader is geworden. Morgen wordt zijn zoon besneden en geeft hij een groot familiefeest waarop hij ook de naam bekendmaakt.

Hij sleurt me aan mijn hand de straat over naar zijn boetiek. De halfbloed Mauritaanse moslim (de andere helft is Senegalees) is kunstenaar en verkoopt zijn schilderijen, naast een hoop toeristische prullaria, in een kleine winkel aan huis. “Ga zitten,” gebiedt hij me. “U moet mijn cadeau aannemen. Het brengt geluk om een vreemdeling een geschenk te geven als je pas vader bent geworden. Zo heb ik dat van mijn ouders geleerd.”

Ik zit ongemakkelijk op een houten krukje dat wegschuift in het losse zand. Sadibou verdwijnt de boetiek in en komt terug met een zilveren armband, waarvan ik in het midden laat of het een mooie armband is. En ook of hij echt van zilver is. Ik moet de bijgelovige moslim beloven dat ik de armband aan niemand weggeef, zeker niet kwijtraak en al helemaal niet weggooi.

Sadibou kijkt me indringend aan. Ik ben vanaf nu verantwoordelijk voor het geluk van zijn pasgeboren, nog naamloze zoon. Sadibou roept zijn broertje Mohamed erbij en belt twee vrienden. Een van hen is chauffeur, maar dan zonder baan en zonder auto. Sadibou is opgewekt en staat er op dat we thee drinken om te vieren dat ik zijn cadeau heb aangenomen. Alsof ik een keus had.

Met een lange straal laat hij de thee in kleine shotglaasjes klateren. Vervolgens giet hij het terug in de kitscherige theepot om het trucje nog eens te herhalen. Net zolang tot er een dikke laag schuim ontstaat. De Mauritaanse thee is zoet, sterk en gekruid. Een welkome opkikker in het loom makende woestijnklimaat. In rap tempo slaan we drie glaasjes achterover.

Sadibou blikt vooruit op het feest van morgen. Hij verwacht veertig gasten en verzekert me dat hij ze zal vertellen dat ik zijn geschenk heb aanvaard. “U moet ook komen,” zegt hij. Het spijt me oprecht dat ik morgenvroeg mijn reis vervolg en het aanbod moet afslaan. “Hoe gaat u uw zoon noemen,” vraag ik Sadibou. “Dat is geheim,” zegt hij resoluut. Dan twijfelt hij, leunt naar me toe, kijkt met een schuin oog naar zijn broer en vrienden en fluistert: “Ali. Mooie naam, hč?”

De column Bamako Blues verschijnt om de week in Brabants Centrum

Advertisements
Posted in: Bamako Blues