Undercover terrorist

Posted on March 18, 2010

0


Mijn tulband plakt aan mijn bezwete voorhoofd. De smalle weg richting het oosten zit vol met gaten. De woestijn is hier heuvelachtig, waardoor het telkens weer een verrassing is wie er plots aan de horizon verschijnt.

De gecrashte auto’s langs de kant van de weg zijn weinig hoopgevend. De karkassen van ezels, geiten en koeien evenmin. Kamelen lijken beter op te passen. Ze strekken hun nekken om de bovenste blaadjes van vetplanten langs de weg te eten, maar begeven zich minder vaak op het asfalt.

Nee dan de ezels: ware zelfmoordcommando’s die je met hun levensmoeë blik aanstaren terwijl je op ze afscheurt. Met een klein huppeltje kiezen ze meestal toch voor het leven. Maar de overtuiging ontbreekt.

Ik ben nerveus. De woestijn van Mauritanië is niet ongevaarlijk. In november vorig jaar zijn drie Spanjaarden ontvoerd door moslimrebellen die zich Al-Qa’ida van de Maghreb noemen. Het is geen incident. De fundi’s hebben het op westerlingen voorzien en eisen miljoenen euro’s aan losgeld.

Niet iets om lichtzinnig over te denken, zo lijkt ook het Mauritaanse leger zich te beseffen. “Ik dacht even dat jullie locals waren,” lacht Omar Gibarke, agent op een van de vele politieposten onderweg. Mooi. Dat is precies de bedoeling. Ik draag een blauwe tulband die mijn gezicht volledig bedekt. Mijn blauwe ogen zijn verstopt achter een grote zonnebril. Onze boerenbak helpt ook. Mercedes is veruit het populairste automerk in Mauritanië.

Schijnveiligheid? Misschien. Het lijkt me in elk geval verstandiger dan rondrijden in een rallywagen vol agressieve sponsoring. Of met je camper achteraan sluiten in een karavaan terwijl je puffende vrouw van middelbare leeftijd haar voeten uit het raam hangt. Hoewel hartstikke undercover, is het niet ondenkbaar dat we zijn opgemerkt. We zijn al een aantal keer stapvoets door een dorpje gereden.

Maar de woestijn is groot en het is niet alsof rebellen op een krukje langs de kant van de weg zitten te wachten. Volgens Omar werken ze met informanten, meestal gastarbeiders uit het noorden van Mali. Zij geven een seintje als een stoet westerlingen voorbij trekt. Het stelt me gerust dat wij low profile reizen. De meeste politieposten passeren we zonder te stoppen. Al heeft dat er waarschijnlijk meer mee te maken dat agenten op dit uur van de dag liever op hun matras in de schaduw blijven liggen.

Bij de grote poort van Poste Chgueig worden we wel stopgezet. Het schemert. De chef de la poste salueert. “Jullie slapen hier vannacht, voor jullie eigen veiligheid,” zegt hij onverbiddelijk. Om vervolgens al zijn autoriteit te verspelen door jongensachtig om een cadeautje te vragen. Ik zet de tent op, maak een kampvuur en zie de zon ondergaan achter een van de woeste bergen in de verte.

“Dit is de poort naar het wilde westen,” grapt mijn reisgenoot Gerbert, terwijl we thee drinken op een rieten mat voor de nomadentent bij de politiepost. We weten allebei dat als fundamentalisten ons écht willen ontvoeren, de drie agenten met hun dienstpistolen geen schijn van kans hebben.

Toch slaap ik heerlijk deze nacht. Als je realistisch bent is de kans groter dat je omkomt tijdens een malloterige inhaalactie dan dat je wordt gegijzeld. Met de zon staan we op. Tulband weer om. Het is nog ver naar Nioro, naar de grens met Mali.

De column Bamako Blues verschijnt om de week in Brabants Centrum

Advertisements
Posted in: Bamako Blues