Koud bier in Didjeni

Posted on April 2, 2010

0


Ik houd van donker Afrika. Wat mij betreft is het dan ook feest als we de woestijn van Mauritanië achter ons laten en Mali binnen rijden. De tijd van stugge Arabieren in uniform is voorbij. Ik kijk uit naar kleurrijke ontmoetingen met goedlachse West-Afrikanen.

De entree is veelbelovend. Bij de douanepost in grensstad Nioro zit de jonge chef de la poste onderuitgezakt in zijn lage stoel. Hij is hooguit twintig jaar en draagt slippers onder zijn soldatenkloffie. Zijn broekspijpen heeft hij opgerold. Hij drukt zijn sigaret uit en komt traag overeind om me met een glimlach te verwelkomen.

De jonge chef handelt de formaliteiten (lees: het stempeltje) grappend af. Het schemert intussen. Bestemming Bamako zal ik vandaag niet meer bereiken. Dat wordt nog een nachtje wild kamperen. Maar eerst op zoek naar een koud biertje. Dat moet hier toch eenvoudiger zijn dan in het streng islamitische Mauritanië, waar alcohol bij de wet verboden is. Niet dat Mali minder islamitisch is, maar men leest de koran met een Afrikaanse knipoog. En dat komt me goed uit vanavond.

De eerste bar laat niet lang op zich wachten. Het handgeschilderde uithangbord meldt Flag van de fles, een populair biermerk uit Senegal. Mevrouw de kroegbaas sjouwt lege kratten naar buiten. Ze heeft slecht nieuws. De dagvoorraad is op. Dorstige reizigers en lokale levensgenieters zijn me te snel afgeweest.

Poging twee dan. De avond is gevallen en ik rijd het dorpje Didjeni in. De lange hoofdstraat krioelt van de mensen. Ze verplaatsen zich te voet, op de fiets of met de brommer. Ik stap uit en probeer in het licht van houtvuurtjes gezichten te onderscheiden die er vriendelijk genoeg uitzien voor die ene prangende vraag. Meneer, is hier een…? Per ongeluk stoor ik een moslimman in gebed. Heel ongepast. Excusez-moi.

“Natuurlijk is hier bier. En koud ook!” Na een aantal keer heen en weer te zijn gestuurd, bieden twee tieners op een brommer uitkomst. “Volg me maar,” zegt Cidi, terwijl hij zijn mobylette keert. Als zijn vriend Tidjane achterop is gesprongen, scheurt hij behendig de harde weg af. Cidi zigzagt voor de auto uit. Tidjane kijkt af en toe achterom en wijst hoe we de diepste hobbels in het zandpad moeten ontwijken. Plots stoppen we. Cidi stalt zijn bromfiets en verdwijnt in looppas achter een huis. Het duurt niet lang voordat hij terugkeert met vier flesjes, die ik volgens hem het best kan opdrinken in Resto Sanne, het restaurant van zijn familie.

Daar aangekomen, strijken we neer op houten banken aan een houten tafel. Cidi blijkt een spraakwaterval. Ik schat hem een jaar of zestien, maar hij spreekt alsof hij Didjeni zelf heeft gesticht. Omringd door de dorpsjeugd voert hij het hoogste woord. Hij wordt vast nog eens dorpshoofd. Na het bier, dat me uitstekend smaakt, is het tijd voor afscheid. Niet veel later sta ik enkele kilometers verderop in een pas geoogst gierstveld de tent op te zetten. Ik sla tevergeefs naar een mug. In de verte klinken trommels, afkomstig uit Didjeni.

De column Bamako Blues verschijnt om de week in Brabants Centrum

Advertisements
Posted in: Bamako Blues