Goud in handen

Posted on April 30, 2010

0


Seydou Sylla zoekt naar een stok. De 45-jarige mangoboer op afgetrapte plastic sandalen komt net boven het droge gras uit, dat de stammen van mangobomen overwoekert. Met een sigaret in zijn mond slaat hij de lange gele sprieten aan de kant. Seydou leidt me rond op de plantages van verschillende families uit zijn dorp. De zon brandt in onze gezichten.

Wacht even. Zon, droog gras, sigaret in de mond? Dat is levensgevaarlijk! Terug op het zandpad haalt Seydou zijn schouders op. Er geldt een rookverbod op de mangoplantages, die een uur rijden vanaf Bamako liggen. Maar ach, wat kan er eigenlijk mis gaan als je de peuk goed uittrapt in het zand?

Met een brede spriet, zo eentje waar je je handen lelijk aan kunt openhalen, bindt Seydou een mes aan de twijg die hij zojuist heeft opgeraapt. Onder de dichtstbijzijnde mangoboom gaat hij op zijn tenen staan. Met het geďmproviseerde kapmes boven zijn hoofd reikt hij naar de groene bolletjes, die zeker drie meter hoog hangen, en maakt een zagende beweging. Na een poging of drie ploft een kleine tros onrijpe mango’s in het zand.

Dit is zijn goud. Behalve katoen heeft Mali geen producten die geschikt zijn voor de export naar de veeleisende westerse markten. Behalve de mango’s dus. De oogsttijd is op het moment van lezen in volle gang. Seydou’s beste vruchten liggen binnenkort in de schappen van de Albert Heijn.

De plantage van Seydou is al ruim veertig jaar eigendom van de familie. Zijn vader, die nu 74 is en zijn oude dag breed glimlachend in de schaduw van de dikke baobab voor het huis van de familie doorbrengt, kocht het veld toen Seydou nog een kind was. De mango’s verkocht hij toen op de dorpsmarkt. Met de paar centen die het opleverde, onderhield hij zijn gezin van veertien kinderen bij twee vrouwen. Seydou pakt de zaken grootser aan: hij handelt met een internationale exporteur.

Goed geregeld, zou je denken. Maar er schuilt een gevaar in de vanzelfsprekendheid waarmee Seydou rekent op zijn mango’s. Van oudsher doen boeren zoals hij zo min mogelijk aan hun land. Snoeien? Geen denken aan! Kunstmest? Ben je gek! De mangobomen horen nu eenmaal voor de boer te werken, niet andersom. De schaarse druppels regen zijn voldoende om de blaadjes groen te houden. De zon doet de rest.

Het is deze houding die de toekomst van Mali’s mango’s onzeker maakt. In Europa bestaat een voorkeur voor mango’s uit West-Afrika, maar als Mali niet aan de eisen kan voldoen gaan de importeurs wel naar een buurland dat niet met kleine overwoekerde familieveldjes werkt, maar met grote plantages van honderden hectaren.

Zoals in buurland Senegal, bijvoorbeeld. Daar worden mango’s geteeld op grote plantages met geavanceerde bevloeiingssystemen. Hetzelfde geldt voor Ivoorkust, waarvan het oogstseizoen dat van Mali ook nog eens overlapt. Deze landen hebben een stabiele productie van uitstekende kwaliteit. Allemaal zaken die Seydou niet kan garanderen op zijn boomgaard van de oude stempel.

“Ik heb ook een veldje met aubergines,” zegt hij, terwijl hij twee knokkende kalkoenhanen uit elkaar trapt. De afzichtelijke beesten herpakken zich, stormen wild klapperend op elkaar af en grijpen elkaar bij de lel. Het kalkoenvrouwtje waar het allemaal om draait, loopt weg van de stofwolk op het slagveld en pikt rustig in het rond. “En uien, boontjes en tomaten,” vervolgt Seydou. “Maar dat levert allemaal minder op dan mijn mango’s.”

De column Bamako Blues verschijnt om de week in Brabants Centrum

Advertisements
Posted in: Bamako Blues